woensdag 27 januari 2010

Windows 1.0 beta

Ik woon nu, for the time being, in een personeelsflat. Nurses-home noemt men dat hier, dat dekt wel, maar niet de lading. Ik bijvoorbeeld ben geen nurse en mijn Vietnamese overburen, een mooi stel, ook niet. Ze zijn met zijn drieen en doen aan hart chirurgie. Inmiddels ben ik al weer verhuisd. Alle kamers zijn hetzelfde, met als verschil dat de helft aan de overkant van de gang ligt. Mijn eerste kamer blijkt een ‘spare room’, in de communicatie zat dus een kinkje. Mary, die hier de boel bestiert, was zichtbaar onaangenaam verrast dat ik kamer 10 had en niet 20. Mary is een schat van een mens. Ze leidde me in gesterkte draf door het doolhof van het ziekenhuis, hopelijk er niet van uitgaand dat ik alles gelijk onthield. Tijdens de rondgang vroeg ik in welke richting de winkels te vinden waren. Daarom draaiden we even om, gingen de hoofdingang uit, en toch ook maar nog even de straat uit, zodat haar aanwijzen trefzekerder zou zijn. Ik mocht in 10 blijven zitten of verkassen, maar 20 zou rustiger zijn (minder verkeer). Dus de hele inrichting weer opgepakt en 25 meter verder neergezet. Het lieve was ook dat in deze kamer het bed al was opgemaakt. Ook stonden er een paar pakjes drinken met wat koekjes en mini pakjes cornflakes. Ook niet onbelangrijk is dat hierbij mijn ochtendsprint relatief behoorlijk is ingekort naar de toiletten. En het uitzicht verandert natuurlijk ook mee. Vanuit mijn nieuwe kamer kijk ik op een parkeerplaats en wat ziekenhuisgebouwen uit (zie eerdere foto). Weinig interessants aan, zelfs de helikopters die soms spoedgevallen binnenvliegen doen dat buiten mijn gezichtsveld. Maar het prima zo.
De buurt waarop ik uitzicht zou kunnen hebben, waar ik mijn boodschappen haal, mijn geldzaken regel en even een pub in duik, oogt rommelig en rustig vol met nog steeds alleen maar vriendelijke behulpzame mensen. In de straten klinken meer sirenes dan claxons. Ik ben net terug van boodschappen halen, grote super, twee kassa’s open. Voor beide kassa’s staat 1 klant, maar met een mega kar vol spullen. Ik had behalve 1 pakje melk een vol mandje met klein spul. Maar ik mocht voor. Zaterdag ging ik vroeg in de middag downtown met de bus. Toen ik terugkeerde was het inmiddels donker en ik herkende niets, ook vanwege het slechte zicht naar buiten. Om niet mijn doel voorbij te schieten, ging ik naar de chauffeur en vroeg ik of hij me een seintje wilde geven als ik bij het ziekenhuis zou zijn. Ik zat achterin en schuifelde na zijn toezegging weer terug. Na enige tijd viel me op dat de twee oude dames, die met het gezicht naar het gangpad in de buurt van de chauffeur zaten, nogal bewust mijn kant op keken. Met iedere hobbel, de dubbeldekkers zijn strak geveerd, zullen we maar zeggen, kreeg hun blik meer boodschap. Bij mijn eerste de beste aanstalten om op te staan, vertelde de ene mevrouw me prompt, dat het ‘t beste was om er nu uit te gaan en de andere dame wees me welke richting ik dan op zou moeten. De chauffeur beaamde het advies.
Dat deze buurt ook een andere kant heeft, maakte mijn collega me dinsdag duidelijk. Op de terugweg van de sportschool werd hij in zijn auto plotseling op een rotonde schuin van achteren geraakt. De dader wurmde zich langs hem en schoot door. Op het moment dat hij erachteraan wilde, vlogen er twee politie auto’s langs hem, kort daarop gevolgd door een helikopter. De joyrijders zijn gepakt en de schade aan zijn en twee andere voertuigen kan worden verhaald.
Het venster van kamer 10 bood nog een ander uitzicht. Nee, jammer genoeg niet op de Ierse zee, waar een bultrug als een forelletje-tegen-de-stroom zijn capriolen vertoont. Dat het een oud gebouw is, heb ik al genoemd, maar deze kamer gaf de indruk dat het onderhoud tot een minimum wordt beperkt. Een van de vensters was gebarsten en heeft vermoedelijk ook en gat. Vermoedelijk, omdat het gat aan het oog werd onttrokken door een vakkundig aangelegde kruisbeplakking, zo voorkomend dat kostbare warmte als een slagaderlijke bloeding het vertrek zou verlaten en gelijktijdig vorkomend dat eventuele muggen als ziekteverwekkende bacillen zouden binnen trekken. Zou Bill Gates hier zijn inspiratie hebben opgedaan, “are you sure you want to end this program?”.



Misschien toch een Nurses-Home.

dinsdag 26 januari 2010

De Duitser

Vrijdag moesten er dingen geregeld worden, daarom was ik woensdagavond al vertrokken. Ik ga een Ierse bankrekening openen en mijn PPS nummer ophalen. Het hoort erbij, maar ik zie er tegenop, omdat ik gelezen had dat voorgangers van het kastje naar de muur gestuurd zijn. Dus meende ik het dat met een degelijke voorbereiding er soepeltjes doorheen te fietsen. Mijn benodigde brief lag klaar, waarin werkgever en woonplaats stonden beschreven. Dit samen met identificatie ‘should do the trick’. Ik vermoedde de de meeste complicaties bij de sociale dienst, dus daar werd eerst achteraan gegaan. Van Human Resorces kreeg ik een telefoonnummer waar ik de locatie kon opvragen van het bureau waar ik mijn PPS nummer kon aanvragen, dit is een soort BSN nummer. De dame aan de telefoon was zo volledig me te informeren dat ik naast diverse bescheiden, ook een ‘birth certificate’ moest mee nemen. Slik. Moet ik over het hoofd gezien hebben. Mijn probleem voorleggend, herhaalde ze dat ik zonder geen PPS nummer kreeg, wat betekent geen salaris. Onderweg naar de bank dan maar, onderweg het thuisfront gealarmeerd. Om de mouw aan te passen, moest ik een fax nummer hebben. Bij het tweede telefoontje werd gezegd dat alleen Ieren zo’n certificaat moeten voorleggen. Zucht. Op naar de bank. Dat is zo gepiept. Mijn paspoort als ID was perfectly OK, maar de brief was een onoverkomelijk probleem. Mijn werkgever is niet het ziekenhuis maar het wervingsbureau en het adres is op het ziekenhuis. Discrepatie, die ik me drie keer liet uitleggen, die ik snapte, maar niet begreep. Als ik een brief met PPS nr had EN mijn adres dan was het ook wel ok. Dus op naar Welfare. Parkeren in Dublin, zelfs bij welfare voor de deur is ook duur. Eenmaal door de deur, wist ik dat ik aan het goede adres was. 1 Information desk en 1 lange rij. Op mijn volgnummer staat al dat er 17 mensen voor mij zijn. Dus timen hoe lang ik aanvraag duurt terwijl ik in de wachtruimte ga zitten. De eerste was direct een lastige want er namen twee mensen plaats, dus waarschijnlijk twee aanvragen. Omdat ik mijn volnummer en paspoort in de hand heb, valt het oog van mijn buurman er blijkbaar op. Die begint een gesprek. Hij spreekt goed engels maar met een accent. Ik probeer zijn leeftijd te schatten, een van mijn mindere talenten, moet gezegd. Ik ben er nog niet uit. Hij heeft minder rimpels dan ik, is niet grijs, eerder blond, heeft vrij lang haar opzij, maar in het midden kaal. En zit behoorlijk krom, of gebogen. Later bleek dat hij ook zo zou lopen. Op zijn schoot een blauw koffertje, wat hij regelmatig opent om er een boekje en potlood uit te halen of de map van Dublin. In de deksel zitten met een soort kneedgum knijpers gekleefd waar het potlood een plaats heeft naast een soort ticket en een ... Als de koffer dicht is hangt hij erover heen als Smeagel over Precious. En continu met een gelaatsuitdrukking die het meeste wegheeft van een grijns. Hij begint uit te leggen dat met die chinezen die zich dan inschrijven wel een tijdje kan duren voordat ze het formulier hebben ingevuld, hij hoopt dat we niet op een tolk hoeven te wachten. Een schande en een bottleneck voor Europa, de nieuwe inwoners die de taal maar niet machtig worden. En de aan mijn andere zijde zittende vrouw met haar (ik schat) drie jarig zoontje, was nog erger. Hij wist dat het een Poolse was en waarom ze toch nog steeds geen Engels met dat ventje sprak, DAAR moest de regering eens wat aan doen, daar loopt europa op spaak. Hij spaarde de Nederlanders en mij in zijn betoog. Dat de 3 jarige bij voorbaat niet kansloos was om goed Engels te leren spreken, beaamde hij knikkend om er een schepje bovenop te doen door de Russen en Roemenen erbij te halen. En hij kon het weten want hij was vertaler voor justitie. Terwijl hij sprak, veranderde zijn volume op gepaste momenten, maar om te voorkomen dat ik zo missen over wie hij het had, wees hij ze priemend aan. Mij begon steeds meer te interesseren welk volgnummer hij had, de Osnabrucker. Toen hij voor de derde keer, voorover gebogen, in adempauzes om zich heenkijkend, zei dat hij echt geen racist was, en ik hem het woord Joden hoorde gebruiken, was de tijd aangebroken om de parkeermeter aan te vullen. Toen ik terugkwam, was, verdomd als het niet waar was, de enige vrije plek om te zitten, naast hem. Na een korte opmerking in de hoop het over luchtiger zaken te hebben, vervolgde hij met een gevalletje pech bij Enschede. Hij kon niet verder en zou gebaard hebben naar medeweggebruikers om te stoppen voor hulp. Iedereen reed door. Tot hem een lumineus idee opkwam. Hij dekte zijn nummerplaat, quasi nochalant af. Wat denk je, warempel, de eerste de beste stopte, en hielp met een sleepje. Hij ging zich in Ierland vestigen, want was fed-up met Duitsland. Het was zijn beurt. Ik vroeg hem nog of hij dan degene zou willen zijn die een beetje vaart wilde maken met het invullen. Omdat ik het met een lach zei, zag hij de humor er van in (heb ik van een collega geleerd), maar de ondertoon was een andere. Drie volgnummers later was het mijn beurt. Na een aantal ragen was de laatste opmerking van de baliemedewerker, dat ik mijn nummer na 5 of 10 dagen in een brief kon verwachten. Telefonisch na 1 dag, maar daar neemt de bank geen genoegen mee. To be continued...

zaterdag 23 januari 2010

De Overtocht


Tot eind april woon en werk ik in Ierland, Dublin om precies te zijn en Crumlin om nog preciezer te zijn. Om daar te komen en om lekker veel mee te nemen en om makkelijk de omgeving te bekijken, ga ik met de auto.




Etappe 1 is de overtocht van Europoort naar Hull, wat en eitje is. De boot is nauwelijks zichtbaar gevuld. Het heeft iets zakelijks en wat plichtmatigs, wat geillustreerd wordt door de live muziek, die verzorgd wordt door een sologitarist die ook de zanger is, begeleid door een bandje. Zo zou men dat vroeger, voor de digitale tijd, genoemd hebben. Nu zit zijn begeleiding gevangen in een solid state memory en draait en schakelt hij zelf zijn backing in het gareel. Steevast eindigt zijn nummer met een zacht plichtmatig ‘thank you’, niet afwachtend of uit de grote zaal en van het balkon het 15 koppige publiek de moeite zal nemen om even de handen tegen elkaar te bewegen. Het einde van de show haal ik niet en het grootste deel van de overtocht breng ik slapend door.
De tweede etappe van Hull naar Holyhead in noord-Wales is simpel, wat ik voor een groot deel te danken heb aan TomTom. Bij het verlaten van Hull informeert ze (damesstem) me over een steeds verder toenemende vertraging tot ruim een uur. Uiteindelijk oppert ze een snellere (langere) route. Van deze informatie maakt ik dankbaar gebruik. Na afloop heb ik niet echt file gezien, maar en-passant wel eventjes een glimp van het Peak district. Nu het hier zo staat, kan ik het me later ook makkelijk herinneren, zodat ik er nog eens terug kan gaan, want het is er erg mooi. Noord Wales ook trouwens, maar dat wist ik al van een eerder bezoek.
De derde etappe, Smeets zou hem misschien de Koninginnetocht genoemd hebben is de overtocht over de Ierse zee van Holyhead naar Dublin. Deze gaat ook prima, ondanks dat het 6 beaufort waait, en de scheepsstabilisatie niet meer kan verhinderen dan het schip gaat schommelen. Dan gebeuren er toch rare dingen. Er wordt al heel wat bier gedronken aan boord, gelegenheid is er overal, je kunt het zien, dus je weet het. Tijdens mijn rondgang alias vergeefse zoektocht om aan dek te kunnen, valt me op dat alle voorraadbakjes voor ‘comfort bags’ leeg zijn. Ik vrees daarom een smeerboel, omdat de boot aardig rolt. Dat viel gelukkig mee. De meeste van ons kennen de dronkemansgang wel en herkennen het balanceren waarbij de hele breedte van het trottoir gebruikt wordt, ik heb dat zelf ook wel eens gedaan. Wel, de passagiers op deze boot kennen deze techniek ook. Echter op een fascinerende manier. Zoals spreeuwen in wolken synchroon van koers kunnen veranderen, doen deze opvarenden dat ook. Allen zetten ze op het zelfde moment en even grote stap zijwaarts. En het werkt aanstekelijk, want toen ik opstond om koffie te halen, ging ik in hun pseudo ritmische cadans mee. Ik krijg de koffie in een kop en niet in een beker met deksel. Daarom neem ik aan de balie eerst zoveel slokken, dat het niveau in de kop ver genoeg onder de rand staat, dat ik een transfer naar mijn tafeltje zonder morsen zou moeten kunnen maken. De laatste slok kan ik dan zittend nemen.
Etappe 4, de slottijdrit om in jargon te blijven. Iets later dan gepland leggen we aan in Dublin. Toen mijn voorwielen het Ierse tarmac raakten, dacht ik de nauwelijks historische woorden “een kleine stap voor de mensheid, maar toch best wel een aardig grote stap voor mij”.


Het is inmiddels donker. En het regent. En de haven ligt midden in de stad. En het is gigantisch druk. Satnav werd mijn redding. Overal wordt ik links en rechts ingehaald door bussen, taxi’s, motoren en auto’s natuurlijk, maar ook door scooters en fietsers met krom stuur en een helm. Jammer genoeg werden er geen rollators verplaatst, zodat ik zelf niemand in kon halen. Ja, er was een oude dame, die liep/reed echter niet paralel, maar haaks op mij, dus die moest ik voor laten gaan. Zelfs de navigator had niet op zo’n trage verplaatsing gerekend. Mijn reistijd werd uiteindelijk twee keer zo lang. Van buiten herkende ik het ziekenhuis niet, maar TT zei tegen me dat ik er was. Ruim 350 km heb ik geen problemen met spookrijden, maar als ik de parking opdraai, heb ik een probleem, want terwijl ik wacht tot de slagboom omhoog gaat, parkeert er aan de andere kant van dezelfde boom iemand die het terrein wil verlaten. Dus achteruit en van baan veranderen. Maar het inrijden via de linker boom blijkt zeer lastig. Eerst voel ik me gelukkig met de luxe van electrisch bedienbare ramen. Tot ik zelfs na het losmaken van mijn gordel niet bij de knop kan om een kaartje te trekken. Na wat omzwervingen werd de ingang van het gebouw met veel moeite gevonden. Er is nog steeds iemand (18:30 uur) die me een sleutel van mijn kamer kan geven en me ernaartoe begeleid. De Security toont me waar ik het beste kan parkeren en ontgrendelt op afstand de deur zodat ik in en uit kan lopen. Als ik klaar ben met mijn spullen naar binnen sjouwen, moet ik naar de camera gebaren dat ik klaar ben, zodat hij het slot weer kan activeren.

Mijn eerste indrukken van het ziekenhuis? Wat een sterk verouderde situatie, wat een drukte, wat een doolhof, wat een heerlijk sfeertje, ik voel me zelfs een beetje trots.
Op mijn kamer aangekomen, moet ik over een drempel heen, een denkbeeldige. Ik heb best wel ervaring met personeelsflats, maar niet van deze orde.

Als ik 's avonds naar buiten kijk, zie ik Parking 3, maar heb nog geen idee wat er in de getoonde gebouwen gebeurt.